Algemene vragen SON-R tests

Algemene vragen over SON-R tests

1 De gegevens in de rapportage van het SON-programma worden niet goed weergeven. Wat nu?

Op de meeste computers zal het scoringsprogramma van de SON-tests vanzelf correct werken. Een enkele keer moeten de beeldscherminstellingen echter worden aangepast.

Kies in het "configuratiescherm" voor Beeldscherm en zorg dat de grootte overal ingesteld staat op 100% en niet op 125%. Door vervolgens de computer en het programma opnieuw op te starten zou het probleem verholpen moeten zijn.

Soms staat de beeldschermgrootte niet als percentage maar als pixelfrequentie weergegeven. In dat geval moet deze overal ingesteld staan op 96dpi, in plaats van op 120 dpi.

2 Kan ik het SON-R scoringsprogramma op meerdere computers installeren?

Ja.

Het scoringsprogramma is ongelimiteerd te gebruiken en kunt u zo vaak (her)installeren als u wilt.

3 Hoe moet ik omgaan met het Flynn-effect? Indicatiecommissies gaan nog vaak uit van ongecorrigeerde IQ-scores

Vermeld de ongecorrigeerde scores en geef daarnaast de score en het bijbehorende generaliseerbaarheidsinterval waarbij wel rekening is gehouden met het Flynn-effect.

4 Welke SON moet ik gebruiken bij kinderen van 7 jaar?

Voor de leeftijd van 7 jaar zijn zowel de SON-R 2-8 als de SON-R 6-40 geschikt. Voor kinderen die duidelijk minder begaafd zijn heeft de SON-R 2-8 de voorkeur; voor hoogbegaafde 7-jarigen heeft de SON-R 6-40 de voorkeur.

Verder kan bijvoorbeeld de groep kinderen waarmee men het kind wil vergelijken invloed hebben op de keuze, of de meer recente normering van de SON-R 2-8.

5 Wanneer besluit ik tot herhaling van de SON-R?

Een herhaling is zinvol als je verwacht dat dit nieuwe informatie geeft. Bijvoorbeeld wanneer er twijfel is over de juistheid van de uitkomst bij de eerste afname.

Een sterk disharmonisch profiel zou daar aanwijzing voor kunnen zijn, alsook slechte testcondities of een slechte conditie van het kind. Ook is herhaling zinvol als verwacht mag worden dat de vaardigheden van het kind veranderd zijn, bv. als gevolg van therapie of andere interventies.

In het algemeen raden we een tussenperiode aan van tenminste een jaar.

6 Hoe interpreteer ik een discrepantie tussen PS en RS en mag ik dan wel een totaalscore hanteren? Wat als er sprake is van een disharmonisch profiel binnen PS of RS?

Een discrepantie tussen PS en RS geeft aan dat er een verschil is in prestatie tussen de performale (meer ruimtelijke) taken en de redeneertaken. Als deze discrepantie consistent is over de subtests kun je verwachten dat dit ook tot uiting zal komen bij andere taken die vooral met het performale- dan wel redeneeraspect te maken hebben.

Evengoed blijft de totaalscore zijn waarde houden als een indruk van de gemiddelde prestatie (waarbij dan de kanttekening kan worden gemaakt dat er verschil is tussen beide type taken).

Overigens is het verschil tussen PS en RS niet heel stabiel; dit pleit voor terughoudendheid bij de interpretatie. Hetzelfde geldt natuurlijk extra sterk wanneer de verschillen binnen de schalen weinig consistent zijn.

7 Wanneer is er reden voor doorverwijzing voor neuropsychologisch onderzoek of voor visusonderzoek? En wat adviseer ik de ouders/school?

De testuitkomst zal op zichzelf geen reden zijn voor doorverwijzing. Mogelijk wel de observaties bij de afname, of de testuitkomsten in combinatie met andere gegevens.

Adviezen voor ouders/school zijn afhankelijk van de context waarin is getest, de vraagstelling en de overige gegevens van het kind.

8 Wat is het verschil tussen de concrete en abstracte redeneertests (Situaties en Analogie├źn/Categorie├źn)?

Bij de concrete redeneertests is sprake van een relatie die plaats- en/of tijdgebonden is. Bij de abstracte redeneertests is dit niet het geval. Uit onderzoek blijkt echter dat het gaat om een relatief zwak onderscheid.

9 Is er een verschil in te meten vaardigheid tussen het eerste en het tweede deel van de subtest Situaties? En in hoeverre speelt inzicht in sociale situaties hierbij een rol?

Het is heel moeilijk om vast te stellen of je bij een 3-jarige wel hetzelfde aan het meten bent als bij een 6-jarige. De onderdelen van het eerste en tweede deel hebben echter wel een duidelijke verwantschap. Voor beide delen geldt ook dat het kind oog moet hebben voor zijn omgeving.