Producten
Vragen over de SON-R 6-40 niet-verbale intelligentietest
Hoe ga ik om met significante verschillen tussen subtests?
Het is goed om er bewust van te zijn dat verschillen tussen subtestscores normaal zijn en zeker niet uitzonderlijk of reden om de testuitkomsten in twijfel te trekken. Naarmate de betrouwbaarheid van de subtest toeneemt zullen de geconstateerde verschillen eerder significant zijn. Als de verschillen erg extreem zijn dan is het natuurlijk wel goed om je af te vragen of daar een specifieke verklaring voor is die de uitkomst van een of meer subtests minder valide maakt.
De verklaring zou kunnen liggen in een ongunstige testsituatie (lawaai, onderbreking), verminderde motivatie of concentratie, of specifieke eigenschappen van de deelnemer. Zo bleek bij het normeringsonderzoek dat bepaalde groepen allochtonen relatief lager scoorden op Mozaïeken en Patronen.
Bij extreme verschillen tussen de subtests is het goed daar melding van te maken (zonder dat hier een diagnostisch oordeel aan wordt verbonden) en verder gewoon het IQ te berekenen en interpreteren. Indien met reden getwijfeld wordt aan de validiteit van de afname van een subtest dan kan deze bij de berekening van het IQ buiten beschouwing worden gelaten.
Waarom krijgt een volwassene die op Patronen alles goed doet, toch niet de maximale score?
Dit is het gevolg van een plafondeffect bij de oudere leeftijdsgroepen.Bij kandidaten tot 18 jaar is dit effect niet zichtbaar, maar bij oudere kandidaten wel.
Doordat relatief veel volwassenen bij Patronen de maximale score halen, is het bij hen moeilijker om te differentiëren tussen de hoogste IQ-scores. Het gevolg is dat de maximale genormeerde score op Patronen voor volwassenen 13 is.
Dit leidt ertoe dat het maximale IQ bij mensen boven de 18 geen 145 maar 140 is. Dat is ruim boven de grens van 130 die wel wordt gehanteerd om 'zeer begaafd' of 'hoogbegaafd' aan te duiden, dus het zal in de praktijk voor weinig problemen zorgen.
Wat zijn de verschillen tussen de SON-R 6-40 en de oude SON-R 5½-17?
Er is een aantal redenen voor de herziening van de SON-R 5½-17: actualiseren van de normen, vernieuwen van het testmateriaal om de cultuurafhankelijkheid te verbeteren, onderscheidend vermogen voor personen met beperkte capaciteiten verhogen, de test geschikt maken voor volwassenen en het verkorten van de afnameduur.
De verschillen tussen de twee tests sluiten dan ook aan bij deze redenen.
- De normen van de SON-R5½-17 stammen uit 1985; de normen van de SON-R 6-40 komen uit 2010.
- De SON-R 6-40 bestaat uit vier van de subtests van de SON-R 5½-17: Analogieën, Mozaïeken, Categorieën en Patronen. Al deze subtests zijn herzien en uitgebreid. De tekeningen van Categorieën zijn geheel vernieuwd om ze voor verschillende culturen even begrijpelijk te maken.
- De vier subtests bevatten elk een groter aantal opgaven dan de oude subtests, met vooral een uitbreiding van het aantal eenvoudige opgaven. Hierdoor is het onderscheidend vermogen van de SON-R 6-40 toegenomen.
- De SON-R 6-40 is genormeerd voor zowel kinderen als volwassenen. Dankzij de adaptieve testprocedure hoeven volwassenen weinig gemakkelijke opgaven te doen. Bij de subtest Mozaïeken zijn extra opgaven toegevoegd om een plafondeffect tegen te gaan.
- De afnameduur van de nieuwe SON-R 6-40 bedraagt slechts één uur; de SON-R 5½-17 duurde circa 90 minuten.
Wat zijn argumenten om de SON-R 6-40 te verkiezen boven de WISC-R?
Met de WISC-III en IV correleert de SON-R 6-40 hoog (correlatie van .80), waaruit blijkt dat deze tests goed vergelijkbaar zijn. De SON-R 6-40 is echter veel korter en kan binnen een uur worden afgenomen, terwijl de WISC-III al snel anderhalf uur duurt. Beide tests hebben ook een ongeveer even hoge relatie met taal en rekenen op school.
De WISC-R is inmiddels een zeer verouderde test (uit 1986) waarvan de normen door de COTAN als onvoldoende zijn beoordeeld. De WISC-III heeft wel een voldoende normering, maar scoort in het oordeel van de COTAN beduidend lager (3x goed, 3x voldoende, 1x onvoldoende tegenover 6x goed en 1x voldoende).
Bovendien doet de WISC-III een beroep op taal, waardoor deze test geen eerlijk beeld van de intelligentie geeft bij kinderen met ontwikkelings- of communicatieproblemen en bij anderstalige kinderen. De SON-R 6-40 heeft dit nadeel niet.
Concluderend kan gezegd worden dat het beide tests zijn voor de algemene intelligentie van kinderen, maar dat de SON-R 6-40 in veel minder tijd kan worden afgenomen.
Wat is de COTAN-beoordeling van de SON-R 6-40?
De COTAN heeft de SON-R 6-40 als volgt beoordeeld:
|
1. Uitgangspunten bij de testconstructie |
Goed |
|
2. Kwaliteit van het testmateriaal |
Goed |
|
3. Kwaliteit van de handleiding |
Goed |
|
4. Normen |
Goed |
|
5. Betrouwbaarheid |
Goed |
|
6. Begripsvaliditeit |
Goed* |
|
7. Criteriumvaliditeit |
Goed |
* Voor de leeftijdsgroep 18-40 jaar is het oordeel 'voldoende' omdat voor die leeftijdsgroep minder validiteitsonderzoek beschikbaar is dan voor de groep van 6-17 jaar.
Waarin verschilt de SON-R 6-40 van de WNV?
Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen tussen de nieuwe SON-R 6-40 en de Wechsler Non Verbal (WNV-NL). Het zijn beide niet-verbale intelligentietests, en uit onderzoek blijkt dat uitkomsten op beide tests redelijk hoog correleren (r = .78).
Het belangrijkste verschil tussen beide tests is dat bij de afname van de SON wel gesproken kan worden (hoewel het niet nodig is). Bij de WNV verloopt de gehele afname door middel van pictogrammen. Hierdoor is de testsituatie bij de SON natuurlijker dan bij de WNV.
Ook erg belangrijk is dat de SON-R 6-40 geschikt is voor indicatiestelling voor LWOO- en PrO-leerlingen. De WNV heeft een categorie 0: Er is nog onvoldoende ervaring met dit instrument in het veld en het komt nog te weinig voor in het landelijke databestand om een oordeel over de geschiktheid dan wel bruikbaarheid voor de doelgroep(en) LWOO- en/of PrO-leerlingen uit te kunnen spreken.
Een ander verschil is dat de subtests van de WNV onderling sterk verschillen, terwijl de subtests van de SON meer samenhang vertonen. Dit maakt de ene test niet perse slechter dan de andere, maar het zorgt wel dat de totaalscore van de SON gebaseerd is op een duidelijker afgebakende set begrippen dan die van de WNV.
Uit onderzoek is verder gebleken dat de uitkomsten op de WNV weinig verschillen van de uitkomsten bij de oude SON-R 5½-17. Dit is opvallend, aangezien de normen van de SON-R 5½-17 inmiddels als verouderd zijn beoordeeld. Dit lijkt erop te wijzen dat de WNV in sommige gevallen een te hoge score oplevert.
De SON-R 6-40 is in september 2011 verschenen en heeft dus zeer actuele normen.
Een laatste verschil is de grotere leeftijdsrange van de SON-R 6-40: deze is genormeerd t/m 40 jaar. Dat is een groter leeftijdsbereik dan de normen van de WNV, die tot 21 jaar lopen.
Verwijzingen naar de onderzoeken waarover hier gesproken wordt zijn te vinden elders op onze website en via de website van de auteurs van de SON-R tests.
Vragen over de SON-R 2½-7 niet-verbale intelligentietest
Komen er nieuwe normen voor de SON-R 2½-7?
Ja. In maart 2013 zijn er vernieuwde Nederlands-Duitse normgegevens voor de SON-R 2½-7 verschenen. Voor bestaande gebruikers is er hiervoor een overstappakket beschikbaar. Meer informatie daarover vindt u via de SON-R 2½-7 productpagina. De testmaterialen blijven ongewijzigd.
De COTAN liet in 2010 weten dat de oude normen van de SON-R 2½-7 nog vijf jaar geaccepteerd kunnen worden. De nieuwe normen zijn inmiddels ingediend, dus een nieuwe beoordeling zal ruim op tijd beschikbaar zijn.
Kan ik het SON-R 2½-7 materiaal blijven gebruiken als de herziene normen verschijnen?
Ja.
De vernieuwde normgegevens van de SON-R 2½-7 zijn gebaseerd op dezelfde testmaterialen. Die kunt u dus gewoon blijven gebruiken.
Is verkorte afname een optie? En welke waarde mag je dan hechten aan de standaardscores van losse subtests?
Een verkorte vorm is bij de SON-R tests goed mogelijk, omdat voor elke combinatie van subtests genormeerde totaalscores kunnen worden berekend met informatie over betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid.
Het probleem bij de interpretatie van de uitkomst op een los onderdeel is, dat je niet weet in hoeverre je de uitkomst kunt generaliseren naar een breder domein van vaardigheden. De verschillende subtests hebben vooral waarde omdat de totale uitkomst het gemeenschappelijke van de verschillende onderdelen weergeeft.
Wat rapporteer ik als de subtestscores binnen het gemiddelde vallen maar de (gecorrigeerde) Totaalscore benedengemiddeld is?
Als het hierbij gaat om de correctie voor het Flynn-effect dan moet worden uitgelegd dat deze correctie niet op de subtestscores is toegepast. Het is in dat geval goed om het IQ met en zonder correctie weer te geven.
Een soortgelijk probleem met discrepanties doet zich voor als scores juist afwijken van het gemiddelde van de populatie. De afwijking van de totaalscore ten opzichte van de gemiddelde subtestscores of schaalscores van een persoon valt op als dezelfde schaalverdeling wordt gebruikt (bv. gemiddelde 100 en spreiding 15) en wanneer de scores duidelijk beneden of boven het gemiddelde van de normgroep zijn. Dit komt omdat door middeling van individuele scores de spreiding kleiner wordt. Bij de normering wordt er vervolgens voor gezorgd dat de spreiding weer de oorspronkelijke waarde krijgt: de scores worden daarom ‘uitgerekt’. Het kan dus zijn dat PS en RS beide 75 zijn en dat de IQ-score gelijk is aan 72.
Je kunt dit als volgt uitleggen. Iemand is goed in voetbal (scoort een 8). Als hij ook zo goed is in zwemmen en volleybal en schaatsen (gemiddeld 8), dan is hij in sport uitzonderlijk goed, dus een 9.
Vragen over de SON-R 5½-17 niet-verbale intelligentietest
Hoe vindt profielanalyse en interpretatie daarvan plaats?
Bij de SON-R 5½-17 ligt de nadruk op de totale testuitkomst en de mogelijkheden om op grond daarvan uitspraken te doen over het intelligentieniveau. Wanneer we op grond van verschillen tussen subtests uitspraken willen doen neemt de onzekerheid sterk toe. Het blijkt dat dergelijke verschillen in de loop van de tijd ook veel minder stabiel zijn.
Bij de weergave van de resultaten wordt eerst getoetst of het onwaarschijnlijk is dat de prestatie op alle onderdelen gelijk is. De niet-overlappende intervallen van de subtestscores geven vervolgens aan welke verschillen van belang zijn. Tenzij men vooraf duidelijke verwachtingen had over deze verschillen wordt afgeraden hieraan directe conclusies te verbinden. Wel kan men op grond hiervan hypotheses formuleren voor verder onderzoek.
Is er bij een disharmonisch profiel iets te zeggen over significante verschillen tussen de verschillende types subtests?
Uitkomsten voor toetsen op typeniveau worden bij de SON-R 5½-17 niet gegeven (in tegenstelling tot de SON-R 2½-7).
Indien er sprake is van significante verschillen, kun je wel nagaan of subtests die op grond van interval afwijken van de rest, onderling overeenkomen en tot hetzelfde type behoren.
Is er een relatie tussen de onderdelen op de SON en de WISC?
Met betrekking tot ruimtelijke aspecten en redeneertaken is er veel overeenkomst op sommige onderdelen (bv. Mozaïeken en Stripverhalen). De taal- en kennisgerichte onderdelen van de WISC-III vind je niet in de SON.
In de WISC-IV is kennis minder belangrijk en in dat opzicht gaat de WISC meer op de SON lijken.
Wat meet de subtest Zoekplaten precies?
Deze subtest heeft betrekking op de perceptuele vermogens en het kunnen herkennen van gelijkheid van objecten ook wanneer grootte en positie anders is. Dit onderdeel hangt het minste samen met andere cognitieve vaardigheden.
Welke IQ-score moet ik gebruiken? En wat is de betekenis van de verschillende scores?
De Standaardscore is puur beschrijvend. Bij de Normscores en Latente scores wordt rekening gehouden met betrouwbaarheid en generaliseerbaarheid.
Bij betrouwbaarheid is de vraag: wat kan ik zeggen over de uitkomst als iedere subtest uit veel meer items zou bestaan (interval Specifiek IQ).
Bij generaliseerbaarheid is de vraag: wat kan ik zeggen over de uitkomst als de test uit veel meer subtests zou bestaan (interval Gegeneraliseerd IQ).
Normscores hebben theoretisch voordelen maar zijn lastig uit te leggen en ongebruikelijk. In de praktijk kan men zich beperken tot het Standaard IQ, in combinatie met het interval van het Specifiek of het Gegeneraliseerd IQ. Dit hangt ervan af of men de onzekerheid wil beperken tot deze test of tot ‘het’ intelligentieniveau.
De correctie voor het Flynn-effect (IQ* in het computerprogramma) heeft betrekking op de Standaard score en het 80%-interval Gegeneraliseerd IQ. (Dit wordt ook gebruikt in de normtabellen van de SON-R 2½-7.)
Algemene vragen over SON-R tests
De gegevens in de rapportage van het SON-programma worden niet goed weergeven. Wat nu?
Op de meeste computers zal het scoringsprogramma van de SON-tests vanzelf correct werken. Een enkele keer moeten de beeldscherminstellingen echter worden aangepast.
Kies in het 'configuratiescherm' voor Beeldscherm en zorg dat de grootte overal ingesteld staat op 100% en niet op 125%. Door vervolgens de computer en het programma opnieuw op te starten zou het probleem verholpen moeten zijn.
Soms staat de beeldschermgrootte niet als percentage maar als pixelfrequentie weergegeven. In dat geval moet deze overal ingesteld staan op 96dpi, in plaats van op 120 dpi.
Waar worden de SON-R tests afgenomen?
U kunt een lijst met contactgegevens downloaden van instanties en personen die de SON-R tests kunnen afnemen.
Klik hier om de lijst te downloaden
Hogrefe Uitgevers kan verder geen rol spelen in het maken van afspraken of de afname. Wij geven dan ook geen garanties over de beschikbaarheid of kwaliteit van de genoemde instanties en personen.
Kan ik het SON-R scoringsprogramma op meerdere computers installeren?
Ja.
Het scoringsprogramma is ongelimiteerd te gebruiken en kunt u zo vaak (her)installeren als u wilt.
Is er zicht op nieuwe normen?
De SON-R 6-40 verscheen in 2011 en heeft een zeer recente normering. Voor de SON-R 2½-7 zijn in maart 2013 vernieuwde Nederlands-Duitse normen uitgebracht. Hierbij is een correctie voor het Flynn-effect ingebouwd.
Voor meer informatie over het normonderzoek en de implicaties voor het scoreprogramma verwijzen we u naar de website van de auteur.
Hoe moet ik omgaan met het Flynn-effect? Indicatiecommissies gaan nog vaak uit van ongecorrigeerde IQ-scores
Vermeld de ongecorrigeerde scores en geef daarnaast de score en het bijbehorende generaliseerbaarheidsinterval waarbij wel rekening is gehouden met het Flynn-effect.
Hoe moet ik corrigeren voor tweetaligheid?
Gezien het niet-verbale karakter van de test is hiervoor bij de SON-R geen aanleiding. Wel is het belangrijk dat een goede communicatie met het kind mogelijk is om deze op zijn gemak te kunnen stellen en te motiveren.
Zie hierover ook de uitkomsten van het OPSTAP-onderzoek (handleiding SON-R 2½-7, paragraaf 8.5).
Hoe moet ik corrigeren voor slechthorendheid?
Gezien het niet-verbale karakter van de test is hier bij de SON-R geen aanleiding toe.
Dove kinderen die niet meervoudig gehandicapt zijn, scoren gemiddeld 4 IQ-punten lager dan de horende populatie. Dit verschil heeft vooral te maken met abstract redeneren (zie handleiding SON-R 5½-17 paragraaf 9.8).
Is er een instructie-DVD voor afname van de SON?
Vooral voor de SON-R 2½-7 zou een instructie-DVD heel nuttig zijn. In Duitsland en Thailand is men hier wel mee bezig geweest. De bedoeling is om een DVD te maken die gemakkelijk aan andere talen kan worden aangepast. De realisatie hiervan zal nog wel enige tijd duren.
Welke SON moet ik gebruiken bij kinderen van 6 jaar?
Voor de leeftijd van 6 jaar zijn zowel de SON-R 2½-7 als de SON-R 6-40 (en de oude SON-R 5½-17) geschikt. Voor kinderen die duidelijk minder begaafd zijn heeft de SON-R 2½-7 de voorkeur; voor hoogbegaafde 6-jarigen heeft de SON-R 6-40 de voorkeur.
Verder kan bijvoorbeeld de groep kinderen waarmee men het kind wil vergelijken invloed hebben op de keuze, of de meer recente normering van de SON-R 6-40.
Wanneer besluit ik tot herhaling van de SON-R?
Een herhaling is zinvol als je verwacht dat dit nieuwe informatie geeft. Bijvoorbeeld wanneer er twijfel is over de juistheid van de uitkomst bij de eerste afname.
Een sterk disharmonisch profiel zou daar aanwijzing voor kunnen zijn, alsook slechte testcondities of een slechte conditie van het kind. Ook is herhaling zinvol als verwacht mag worden dat de vaardigheden van het kind veranderd zijn, bv. als gevolg van therapie of andere interventies.
Na hoeveel tijd is herhaling van de SON-R betrouwbaar? En waarom is dit leeftijdsafhankelijk?
In het algemeen raden we een tussenperiode aan van tenminste een jaar.
Bij hertesten met de SON-R 2½-7 met een tussenperiode van 3½ maand is er een gemiddelde toename van de score van zes IQ-punten. Na een jaar is er mogelijk nog wel enig positief effect van een eerdere afname maar het valt niet te verwachten dat dit meer is dan enkele IQ-punten. Bij zeer jonge kinderen (2-3 jaar) kan de tussenperiode nog wel iets korter, omdat op die leeftijd de veranderingen in prestatie in korte tijd zo groot zijn.
Indien een testafname niet goed is verlopen door slechte afnamecondities of door slechte conditie van het kind (m.a.w. er is duidelijk sprake van onderprestatie), dan kan tussenperiode ook korter zijn omdat het kind niet aan alle relevante delen van de test is toegekomen.
Overigens kan niet alleen een hertest, maar ook ervaring opdoen met testen in het algemeen een positief effect hebben op de prestatie.
Hoe interpreteer ik een discrepantie tussen PS en RS en mag ik dan wel een totaalscore hanteren? Wat als er sprake is van een disharmonisch profiel binnen PS of RS?
Een discrepantie tussen PS en RS geeft aan dat er een verschil is in prestatie tussen de performale (meer ruimtelijke) taken en de redeneertaken. Als deze discrepantie consistent is over de subtests kun je verwachten dat dit ook tot uiting zal komen bij andere taken die vooral met het performale- dan wel redeneeraspect te maken hebben.
Evengoed blijft de totaalscore zijn waarde houden als een indruk van de gemiddelde prestatie (waarbij dan de kanttekening kan worden gemaakt dat er verschil is tussen beide type taken).
Overigens is het verschil tussen PS en RS niet heel stabiel; dit pleit voor terughoudendheid bij de interpretatie. Hetzelfde geldt natuurlijk extra sterk wanneer de verschillen binnen de schalen weinig consistent zijn (zie ook paragraaf 5.5 van handleiding SON-R 2½-7).
Wanneer is er reden voor doorverwijzing voor neuropsychologisch onderzoek of voor visusonderzoek? En wat adviseer ik de ouders/school?
De testuitkomst zal op zichzelf geen reden zijn voor doorverwijzing. Mogelijk wel de observaties bij de afname, of de testuitkomsten in combinatie met andere gegevens.
Adviezen voor ouders/school zijn afhankelijk van de context waarin is getest, de vraagstelling en de overige gegevens van het kind.
In welk opzicht is de score op de redeneerschaal gerelateerd aan de taalontwikkeling/taalbegripscore bij kinderen?
De redeneerschaal correleert duidelijk hoger met de verbale onderdelen van andere intelligentietests en met de Reynell Test voor Taalbegrip (zie ook handleiding SON-R 2½-7, paragraaf 9.9).
Bij de SON-R 5½-17 correleren de (abstracte) redeneertests het hoogste met rapportcijfers voor taalvakken en zij verklaren voornamelijk de achterstand van dove kinderen t.o.v. horende kinderen.
Wat is het verschil tussen de concrete en abstracte redeneertests (Situaties en Analogieën/Categorieën)?
Bij de concrete redeneertests is sprake van een relatie die plaats- en/of tijdgebonden is. Bij de abstracte redeneertests is dit niet het geval. Uit onderzoek blijkt echter dat het gaat om een relatief zwak onderscheid.
Is er een verschil in te meten vaardigheid tussen het eerste en het tweede deel van de subtest Situaties? En in hoeverre speelt inzicht in sociale situaties hierbij een rol?
Het is heel moeilijk om vast te stellen of je bij een 3-jarige wel hetzelfde aan het meten bent als bij een 6-jarige. De onderdelen van het eerste en tweede deel hebben echter wel een duidelijke verwantschap. Voor beide delen geldt ook dat het kind oog moet hebben voor zijn omgeving.
Vragen over de d2 Aandachts- en concentratietest
Hoe komt het dat de grafiek en de tekst in het rapport van het scoringsprogramma soms van elkaar verschillen?
In het testrapport wordt onderaan de pagina een interpretatie gegeven van de behaalde resultaten. Daarbij kan het voorkomen dat de stip in de grafiek binnen het gemiddelde gedeelte staat, terwijl de tekst ernaast van onder/boven gemiddeld spreekt.
Dit komt doordat in de tekst alle T-scores onder de 50 beneden gemiddeld zijn, en alle T-scores boven de 50 boven gemiddeld. In de grafiek wordt echter de gangbare interpretatie van T-scores gebruikt, waarbij alle scores tussen de 40 en 60 'gemiddeld' heten.
In het geval van een verschil tussen de grafiek en de tekst adviseren wij daarom uit te gaan van de grafiek.
Watvoor scores worden er gerapporteerd in de resultaten van het scoringsprogramma?
De ruwe scores worden door het scoringsprogramma omgerekend naar T-scores.
Vragen over de BRIEF vragenlijsten
Waarom lopen de normen van de Leerkrachtvragenlijst maar tot en met 11 jaar?
Bij het verschijnen van de nieuwe BRIEF normen in juni 2012 is ervoor gekozen de Leerkrachtnormen van 5 tot en met 11 jaar te laten lopen. Het bleek dat leerkrachten in het voortgezet onderwijs een minder duidelijk beeld hebben van het executief functioneren van hun leerlingen. Waarschijnlijk doordat zij minder uren per week contact hebben met hun leerlingen.
Tegelijk met de nieuwe normen is de BRIEF Zelfrapportage verschenen, geschikt voor jongeren van 11 tot en met 17 jaar. Hiermee zijn er voor elke leeftijdsgroep twee varianten van de BRIEF beschikbaar.
Zijn de schalen Flexibiliteit en Cognitieve flexibiliteit hetzelfde?
Ja.
Met de schaal Flexibiliteit in de handleiding wordt hetzelfde bedoeld als met Cognitieve flexibiliteit op de formulieren.
Testgebruik en kwalificatieniveaus
Is goedkeuring van de COTAN verplicht?
Vaak krijgen wij van klanten de vraag of een test is goedgekeurd door de COTAN, omdat dat verplicht is. Aan die vraag zitten twee kanten: wat is een COTAN-goedkeuring en bestaat er een wettelijke verplichting om bepaalde tests te gebruiken?
De COTAN keurt tests niet goed of af. Wel beoordeelt de COTAN de kwaliteit van tests op zeven criteria: theoretische achtergrond, kwaliteit van het testmateriaal, kwaliteit van de handleiding, normen, betrouwbaarheid, begripsvaliditeit en criteriumvaliditeit. Het doel hiervan is om testgebruikers te helpen bij het kiezen van een instrument. Een psycholoog kan goede redenen hebben om een test te gebruiken die op één of meerdere onderdelen onvoldoende scoort, bijvoorbeeld omdat er geen ander instrument beschikbaar is of omdat het als onvoldoende beoordeelde aspect (zoals normering) in een bepaald geval minder relevant is.
In één geval bestaat er een wettelijke verplichting. Wanneer u kinderen of jongeren test om een indicatie te stellen voor leerwegondersteunend onderwijs (LWOO) en praktijkonderwijs (PrO), mag u alleen instrumenten gebruiken die op de lijst met daarvoor toegestane instrumenten staan. Deze indicatie is nodig voor kinderen om toegelaten te worden tot het praktijkonderwijs of in de brugklas van het vmbo gebruik te maken van leerwegondersteunend onderwijs. De lijst specificeert welke instrumenten gebruikt mogen worden voor het vaststellen van de intelligentie (de SON-R 6-40 wordt geschikt geacht), sociaal-emotionele problematiek en leerachterstanden. Hoewel het oordeel van de COTAN zwaar weegt, wordt deze lijst niet vastgesteld door de COTAN. Het ministerie van OCW bepaalt uiteindelijk op advies van de Regionale Verwijzingscommissies welke instrumenten er op deze lijst staan.
Zowel LWOO als PrO zijn overigens vormen van voortgezet onderwijs. Voor het testen van jongere kinderen (bijvoorbeeld bij doorverwijzing naar speciaal onderwijs) bestaat er geen lijst met toegestane instrumenten. Ook voor het testen van brugklassers en oudere kinderen voor andere gevallen dan indicatie voor LWOO en PrO, bestaat een dergelijke lijst niet. Het is dan aan de psycholoog zelf om een verantwoorde keuze te maken op basis van de onderzoeksvraag, het kind en de beschikbare instrumenten.
Wanneer en door wie kunnen de tests van Hogrefe gebruikt worden?
Tests en vragenlijsten worden veelal gebruikt om beslissingen over mensen te onderbouwen. Bijvoorbeeld beslissingen over een diagnose, over een behandeling, over geschiktheid voor een baan. Wie daar een test bij gebruikt moet dat uiterst zorgvuldig doen. Zowel de testauteur, de uitgever als de gebruiker hebben daar een rol in.
Voor professionele richtlijnen omtrent testgebruik verwijzen we graag naar de Standaard Testgebruik zoals het NIP die in 2007 heeft vastgesteld.
We gaan ervan uit dat de gebruikers van tests en vragenlijsten moeten beschikken over voldoende professionele kennis over het gebruik en de interpretatie van psychologische tests. Bij iedere test staat vermeld wat het bijbehorende kwalificatieniveau is.
Wij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor schade die het gevolg is van het gebruik van de tests of van handelen of nalaten dat is gebaseerd op informatie die met behulp van tests is verkregen.
Wat houdt het kwalificatieniveau in?
Om u te ondersteunen in uw afweging, of u voldoende gekwalificeerd bent voor een bepaalde tests onderscheiden we twee kwalificatieniveaus. In onze productinformatie vermelden we welk kwalificatieniveau nodig is bij iedere test.
NIVEAU A Geen specifieke opleidings-eisen. In het algemeen van toepassing bij schooltoetsen, interessetests en bepaalde screeningsvragenlijsten.
NIVEAU B Ruime kennis van testconstructie, toepassing en interpretatie. Verkregen door
• een master of doctoraal psychologie, (ortho)pedagogiek, bij voorkeur met aantekening diagnostiek
• een bachelor toepgepaste psychologie (hbo), mits in de opleiding ruime ervaring is opgedaan met afname en interpretatie van psychologische tests
• afgeronde opleiding tot psychiater
• andere opleidingen en werkervaring die tot dit kennis- en ervaringsniveau leiden
Over het algemeen is niveau B van toepassing voor persoonlijkheidsvragenlijsten, intelligentiemeting, paramedische tests en neuropsychologische diagnostiek.
Heeft u geen antwoord op uw vraag over één van onze producten kunnen vinden? Of heeft u een opmerking of suggestie over onze producten? Vul dan onderstaand contactformulier in.